Column: de Wals

Door: Wenneke Savenije

Niets is zo leuk als walsen. De basispassen kan zelfs de grootste stuntel in een half uurtje onder de knie krijgen, en de beloning is een gelukzalige roes zonder kwalijke gevolgen.

Dankzij de nonnetjes van de kleuterschool kwam ik voor het eerst in aanraking met de wals. Welke verjaardag van welke heilige de aanleiding vormde, kan ik me niet meer herinneren. Maar ik weet nog wel dat we waren verpakt in zwierige stroken van gifgroen en hemelsblauw gaas. Op An der schönen blauen Donau van Johann Strauss moesten mijn klasgenootjes en ik in drie tellen onze armen omhoog zwiepen, om ze bij de volgende drie tellen helemaal naar de grond te laten zakken. Daarbij vuurde de even kleine als dikke ‘zuster Annie’ ons aan met sierlijke pasjes door het bedompte klaslokaal te lopen. Rondjes draaien was verboden, want in veertig door hevige misselijkheid en duizelingen bevangen hummels hadden de nonnetjes natuurlijk geen zin. Zo ging de essentie van de wals aan ons voorbij, al raak ik nu nog in alle staten van opwinding wanneer ik Strauss’ An der schönen blauen Donau hoor.

Niet voor niets werd de Weense wals ooit door Richard Wagner tot ‘een machtiger drug dan alcohol’ verklaard. Gebaseerd op oeroude Duitse dansvormen als de ‘Deutscher’, de ‘Weller’, de ‘Spinner’, de ‘Schleifer’, de ‘Steirer’ en de ‘Lèndler’, was deze simpele dans in driekwartsmaat voorbestemd om de hele negentiende eeuw op zijn kop te zetten. Het Germaanse werkwoord ‘walzen’, afkomstig van het Latijnse ‘volvere’ oftewel rondjes draaien, werd al in de Middeleeuwen gebruikt om het glijden en zwieren op de dansvloer aan te duiden. Maar pas in 1786 verscheen bij de Weense muziekuitgever Artatia de eerste bundel dasen onder de titel Walzer. Zes jaar later was de wals al zo populair geworden, dat het Berlijnse Journal de Luxes und der Moden in de lente van 1792 signaleerde: ‘Walsen en niets anders dan walsen is tegenwoordig zo in de mode, dat het aanzicht van de dansvloer er volledig door bepaald wordt.’

Al gauw kwamen uit conservatieve hoek ook de eerste waarschuwende geluiden. Zo publiceerde de arts Salomo Jacob Wolf in 1797 het pamflet Beweiss dass das Walzen eine Hauptquelle der Schwèche des Körpers und des Geistes unserer Generation sei. Hierin werd ondermeer betoogd dat het walsen, vanwege de verbijsterende vaart waarmee de dansers door de balzaal wervelden, uiterst schadelijk voor de gezondheid was. Om maar helemaal niet te spreken van de kwalijke gevolgen op zedelijk terrein. Zelf een vrijgevochten dichter als Lord Byron, bekende in zijn gedicht The Waltz: an Apostrophic Hymm uit 1813 ronduit geshockeerd te zijn bij het zien van al die ‘hands which may freely range in public sight where ne’re before’.

Desondanks bleef de populariteit van de wals overal in Europa gestaag groeien, totdat halverwege de vorige eeuw met de meeslepende walsen van Johann Strauss de Tweede (1825-1899), de ongekroonde koning van de Weense wals, een culminatiepunt werd bereikt. Opgegroeid in een van de meest welvarende periodes van het Habsburgse Rijk en van jongsaf aan omgeven door de glitter en het ‘joie de vivre’ van het keizerlijke Wenen, weerspiegelde de muziek van de jonge Strauss bijna vanzelf de decadente atmosfeer van zijn omgeving. Wekten de walsen van zijn vader Johann Strauss senior (1804-1849) nog associaties op met vrolijke drinkgelagen in herbergen en taveernes, de walsen van Johann Straus junior ademen de charme, de elegantie, de levendigheid en de geraffineerde gekunsteldheid van het hedonistische oude Wenen. De stad met zijn barokke paleizen, verhulde koetsen en druk bezochte parken, waar de lucht zwanger was van erotisch getinte levensvreugde en plezier, waar Gustav Klimt zijn decadente werken schilderde en Freud op zijn rode sofa de psyche van de mens probeerde te ontrafelen. En Johann Strauss, door Wagner beschreven als ‘die betoverende violist, de duivel van de Weense Volksziel’, deed eigenlijk niets anders dan zijn kleurrijke omgeving omzetten in meeslepende ritmes en melodieën.

Volgens hemzelf had Strauss alles aan Wenen te danken: ‘de stad waar de geluiden in de lucht hangen die ik in mijn oren hoorde, opsloot in mijn hart en neerschreef met mijn hand.’ Zoveel succes oogste hij met zijn ‘lichte’ muziek, dat walsen à la Strauss ook al gauw opdoken in de ‘serieuze’ muziek van uiteenlopende componisten als Schubert, Chopin, Brahms, Tsjaikovski, Mahler en Ravel. Pas toen er met de Eerste Wereldoorlog voorgoed een einde kwam aan de hoogtijdagen van de Oostenrijkse- Hongaarse monarchie, werd het akelig stil rondom de Weense wals. En inmiddels weer een oorlog verder wordt er tot mijn grote verdriet door zo ongeveer niemand meer gewalst. Daar moet mijns inziens hoognodig verandering in komen. Want geloof me, niets is zo leuk als walsen! De basispassen kan zelfs de grootste stuntel in een half uurtje onder de knie krijgen, en de beloning is een gelukszalige roes zonder kwalijke gevolgen.